Centeringģ in de praktijk / ACB - Associatie Centering® België

behandeling voeten aarding
 

Deontologische code ACB.

 

Als je iets goeds ziet, geef dan een compliment. Als je iets fouts ziet, bied dan je hulp aan.

(Nelson Mandela)

 

1 Algemene bepalingen


1.1 Associatie Centering België (ACB)

Het ACB is een feitelijke vereniging, met o.a. als doel:

  • het groeperen van gediplomeerde Centering® Practitioners, Centering® coaches en facilitators in een beroepsvereniging.
  • het organiseren van intervisie, verdiepingsdagen, studiedagen.
  • het bekendmaken van Centering®.
  • het bewaken van de correcte toepassing van de methode.

Voorwaarden tot lidmaatschap:

  • Beschikken over het diploma Centering® Practitioner, zoals uitgereikt door Kurt Pattyn en Nele Vandezande
  • Beschikken over het diploma Centering® coach of facilitator, zoals uitgereikt door Kurt Pattyn en Nele Vandezande
  • Het volgen van bijscholing, verdiepingsdagen en supervisie; dit wordt nader omschreven in het Huishoudelijk Reglement

1.2 Rechtsgeldigheid van de deontologische code

Er geldt een contractuele verplichting voor leden van de ACB.

1.3 Doel van de deontologische code

Art.1. Deze deontologische code is van toepassing voor elk individu dat zich aangesloten heeft bij het ACB, ongeacht zijn werkterrein, zijn functies en zijn methodes.

Art.2. De bepalingen van deze code hebben een verklarend en geen beperkend karakter. Ze kunnen bij analogie worden toegepast. Er kan niet contractueel van afgeweken worden.
Ze hebben tot doel het publiek te beschermen, de waardigheid en de integriteit van het beroep te bewaren en de kwaliteit van de door de Centeringpractitioners gepresteerde diensten te waarborgen.

2 Definities

 

2.1 Centering®
2.1.1 Wat is Centering®
Art.3. §1. Centering® is opgebouwd uit:

  • centrosofie of filosofie van centering,
  • het model centering dat als werktuig gebruikt kan worden,
  • bodyspirit of het model centering toegepast op het menselijk lichaam en
  • centered living is de integratie in het leven.

Centering® leert de cliënt circulair denken, centering® helpt de cliënt kijken naar de totaliteit en centering® leert de cliënt de verbinding te maken tussen binnen- en buitenwereld. Waarbij de binnenwereld staat voor de gedachten en gevoelens van de cliënt en de buitenwereld de waarneembare feiten in de omgeving.

2.1.2 Wat is Centering niet
§2. Centering valt niet onder de Gecoördineerde wet betreffende de uitoefening van de gezondheidszorgberoepen van 10 MEI 2015. We nemen hieronder enkele passage uit de wet die relevant zijn voor de beroepsuitoefening van de Centeringpractitioner.


2.1.2.1 Geen uitoefening van de geneeskunde (Art 3)
§ 1. Niemand mag de geneeskunde uitoefenen die niet het wettelijk diploma bezit van doctor in de genees-, heel- en verloskunde, dat werd behaald in overeenstemming met de wetgeving op het toekennen van de academische graden en het programma van de universitaire examens, of die niet wettelijk ervan vrijgesteld is, en die bovendien de voorwaarden gesteld bij artikel 25, niet vervult.
Wordt beschouwd als onwettige uitoefening van de geneeskunde, het gewoonlijk verrichten door een persoon die het geheel van de voorwaarden, gesteld bij het eerste lid, niet vervult, van elke handeling die tot doel heeft, of wordt voorgesteld tot doel te hebben, bij een menselijk wezen, hetzij het onderzoeken van de gezondheidstoestand, hetzij het opsporen van ziekten en gebrekkigheden, hetzij het stellen van de diagnose, het instellen of uitvoeren van een behandeling van een fysieke of psychische, werkelijke of vermeende pathologische toestand, hetzij de inenting.


2.1.2.2 Geen Klinische Psychologie (Art 68)
§ 3. Zonder afbreuk te doen aan de uitoefening van de geneeskunde zoals bepaald in artikel 3 wordt onder de uitoefening van de klinische psychologie verstaan het gebruikelijk verrichten van autonome handelingen die tot doel hebben of worden voorgesteld tot doel te hebben, bij een mens en in een wetenschappelijk onderbouwd klinisch psychologisch referentiekader, de preventie, het onderzoek, het opsporen of het stellen van een psychodiagnose van echt dan wel ingebeeld psychisch of psychosomatisch lijden en die persoon te behandelen of te begeleiden.


2.1.2.3 Geen Psychotherapie (Art 68)
§ 1. Psychotherapie is een behandelingsvorm in de gezondheidszorg waarin men op een consistente en systematische wijze een samenhangend geheel van psychologische middelen (interventies) hanteert, die geworteld zijn binnen een psychologisch wetenschappelijk referentiekader en waarbij interdisciplinaire samenwerking is vereist.
§ 2. De psychotherapie wordt uitgeoefend door een beoefenaar, zoals bedoeld in de artikelen 3, § 1, 68/1 en 68/2, binnen een relatie psychotherapeut-patiënt, teneinde psychologische moeilijkheden, conflicten en stoornissen bij de patiënt op te heffen of te verminderen.


2.2 Centeringpractitioner
Art.4. §1. Een erkend Centeringpractitioner is Iemand die met succes de opleiding heeft gevolgd, stages heeft afgewerkt en een thesis heeft gemaakt. Die alle competenties verworven hebben en diploma van centeringpractitioner uitgereikt door Souldance.

De Centeringpractitioner is opgeleid om individueel (1 op 1) te werken. Dit betekent dat hij/zij de opgedane kennis van het model Centering©, als enige, mag aanwenden om zichzelf en zijn/haar cliënten op professioneel vlak te begeleiden. De CP mag, onder geen voorwaarde het model Centering© aanleren en doorgeven aan anderen, niet in groepsverband en niet individueel. Dit valt niet onder zijn of haar opleiding. Het model Centering valt onder het copyright en mag alleen in samenspraak met Kurt Pattyn en Nele Vandezande uitgedragen worden (geen “train the trainer” - ze mogen het gebruiken maar niet uitdragen - een document laten ondertekenen - aanvulling bij erkend centeringpractitioner)

De CP ondersteunt het levensproces van de cliënt en werkt rond bewustzijn en welzijn.
De CP werkt in de eerste plaats preventief en daarnaast aanvullend.


2.3 Cliënt
§2. Een cliënt is elke persoon die een beroep doet op de professionele diensten of begeleiding van een Centeringpractitioner.


3 Het Beroepsgeheim
3.1 Openbare orde karakter van het beroepsgeheim

Art.5. Uit zorg om de privacy van de personen en bewust van de noodzaak van de toegankelijkheid van het beroep voor allen, legt de Centeringpractitioner zichzelf een discretie op over alles wat hij door en tijdens de uitoefening van het beroep verneemt.
Dit houdt minstens de naleving in van het verplichte beroepsgeheim zoals bepaald in de strafwetgeving.
Het beroepsgeheim is van openbare orde: de Centeringpractitioner die een cliënt onder zijn hoede heeft is in alle omstandigheden door het beroepsgeheim gebonden.


Art.6. Zodra een Centeringpractitioner begint aan een bilan of een begeleiding treedt hij in een vertrouwensrelatie met zijn cliënt, en is hij gebonden door de discretieplicht en het beroepsgeheim.

Art.7. Door de geheimhouding die de Centeringpractitioner aan zijn cliënt verschuldigd is, is het hem verboden bekend te maken dat een persoon zijn diensten heeft ingeroepen. Op verzoek van de cliënt kan hij hem echter een bewijs van consultatie afgeven.

Art.8. Indien hij verslag uitbrengt bij een gemachtigde derde, beperkt de Centeringpractitioner zich tot de informatie die rechtstreeks betrekking heeft op de gestelde vraag.

Art.9. Noch het einde van de professionele relatie, noch het overlijden van de cliënt, noch de tussenkomst van één van de erfgenamen heft de discretieplicht van de Centeringpractitioner op.
De toestemming van de cliënt of de gemachtigde derde bevrijdt de Centeringpractitioner niet van zijn discretieplicht.
De Centeringpractitioner die het voorwerp uitmaakt van een tuchtonderzoek kan in dit kader de gehele waarheid bekendmaken. Hij is echter gerechtigd de vertrouwelijke mededelingen van de cliënt te verzwijgen.


3.2 Wettelijke uitzonderingen op de verplichting van het beroepsgeheim
3.2.1 Gevallen en situaties waarin de wetgeving een uitzondering op het beroepsgeheim toestaat zonder de Centeringpractitioner te verplichten het te doorbreken.

Art.10. Indien een wetgeving toestaat bepaalde informatie in afwijking van het beroepsgeheim bekend te maken zonder evenwel de bekendmaking van deze informatie te verplichten, blijft de Centeringpractitioner die over dergelijke informatie beschikt onderworpen aan de discretieplicht.

Art.11. De Centeringpractitioner bedoeld in artikel 10 mag enkel informatie meedelen of vertrouwelijke mededelingen doen die hij persoonlijk heeft ontvangen of vastgesteld nadat hij in eer en geweten de situatie heeft geëvalueerd, en doet zo nodig een beroep op de hulp van zijn vakgenoten.


3.2.2 Gevallen en situaties waarin de wetgeving de Centeringpractitioner verplicht het beroepsgeheim te doorbreken.

Art.12. De Centeringpractitioner is bevrijd van zijn discretieplicht en kan deze niet inroepen in de gevallen en situaties waarin een wetgeving hem verplicht informatie bekend te maken zoals bijvoorbeeld de gevallen van aangifteplicht bedoeld in de artikelen 422bis en 458bis van het strafwetboek of de situatie bedoeld in artikel 458 van het strafwetboek waarin de Centeringpractitioner geroepen wordt om in rechte of voor een parlementaire onderzoekscommissie getuigenis af te leggen.

Art.13. De Centeringpractitioner houdt zich op de hoogte van de ontwikkeling van alle wetgevingen die hem ertoe verplichten om geheimen die hij draagt bekend te maken.


3.3 Beroepsgeheim en beroepspraktijk
Art.14. Het gedeelde beroepsgeheim: De Centeringpractitioner kan op eigen verantwoordelijkheid vertrouwelijke gegevens waarover hij beschikt delen om de doeltreffendheid van zijn werk te optimaliseren. Hiertoe past hij de gebruikelijke cumulatieve regels betreffende het gedeelde geheim: Voorafgaande inlichting en akkoord van de bewaarder van het geheim, uitsluitend in het belang van deze laatste, beperkt tot wat strikt noodzakelijk is, uitsluitend met personen die aan het beroepsgeheim onderworpen zijn en die in het kader van eenzelfde opdracht handelen.

Art.15. De Centeringpractitioner informeert zich over de eventuele conflictueuze context waarin hem om advies wordt gevraagd. In situaties van conflictueuze echtscheidingen respecteert de Centeringpractitioner de wet betreffende de gezamenlijke uitoefening van het ouderlijk gezag.

Art.16. Bij een aanvraag tot onderzoek van een kind door diegenen die het ouderlijk gezag uitoefenen, mogen de conclusies van het onderzoek alleen overgemaakt worden aan diegenen die het ouderlijk gezag uitoefenen.

Art.17. In het kader van gerechtelijk deskundigen onderzoek weigert de Centeringpractitioner elke expertise (of officiële opdracht) betreffende cliënten die hij heeft ontmoet in het kader van andere professionele relaties, ongeacht of deze al dan niet beëindigd zijn. De Centeringpractitioner-gerechtsdeskundige brengt alle personen die hij/zij bevraagt vooraf op de hoogte van het kader waarbinnen hij zijn opdracht vervult en wijst hen erop dat hij alle ingewonnen relevante informatie dient door te spelen aan zijn opdrachtgever.

Art.18 De Centeringpractitioner belast met een onderwijs- of vormingsopdracht moet de discretieplicht en het beroepsgeheim naleven. De presentatie in persoon van een cliënt of gemachtigde derde voor louter onderwijsdoeleinden is formeel verboden. Audiovisuele illustraties en directe observaties in het kader van een vorming zijn toegestaan voor zover de deelnemers verwittigd zijn over de deontologische normen en regels ter zake. De anonimiteit van de cliënt of gemachtigde derde dient in elk geval gevrijwaard te worden.

Art.19. De vrije en geïnformeerde toestemming van de cliënt of van zijn wettelijke vertegenwoordiger is vereist voorafgaand aan elke handgeschreven, audiovisuele, informatica- of andere vorm van registratie van de gegevens die op hem betrekking hebben. Dit geldt eveneens voor de overdracht van gegevens ongeacht voor welk doeleinde deze overdracht gebeurt. De houders van het ouderlijk gezag geven hun toestemming als vertegenwoordigers van een minderjarige, maar iedereen die dit geregistreerde klinisch materiaal voor opleidingsdoeleinden wil gebruiken moet rekening houden met de leeftijd die het kind op dat ogenblik heeft bereikt. Als het kind in tussentijd meerderjarig is geworden, moet men de toestemming vragen van de persoon die meerderjarig is geworden. Elke persoon behoudt het toegangsrecht tot de geregistreerde gegevens die hem aangaan, en alleen tot die gegevens. De Centeringpractitioner zorgt ervoor dat documenten die zijn opgesteld in het kader van zijn werk altijd op dusdanige wijze worden opgemaakt en bewaard dat zij het beroepsgeheim vrijwaren.

4 Algemene principes: Eerbiediging van de waardigheid en de rechten van de persoon, de aansprakelijkheid, de deskundigheid en integriteit
4.1 Eerbiediging van de waardigheid en de rechten van de persoon

Art.20. §1. De Centeringpractitioner eerbiedigt en verdedigt, zonder enige vorm van discriminatie, de fundamentele rechten van de persoon en van groepen van personen, namelijk hun vrijheid, waardigheid, privacy, autonomie en integriteit.
Hij vrijwaart het privéleven van elke persoon door de vertrouwelijkheid van zijn tussenkomst te verzekeren, ook wanneer hij verplicht is elementen hiervan door te geven. De strikte naleving van het beroepsgeheim is een basis onderdeel van deze verplichting.

§2. De uitoefening van het beroep van Centeringpractitioner vereist eerbied voor de menselijke persoon in zijn psychologische en fysieke heelheid, in gelijk welke situatie.

Dit betekent:
a) Eerbied zonder enige vorm van discriminatie op grond van verschillen inzake etnische afkomst, cultuur, geslacht, taal, vermogen of geboorte. Zo ook mag er geen enkele discriminatie zijn gebaseerd op religieuze, politieke of welke overtuiging ook, of op nationale of sociale afkomst. Dit houdt ook de erkenning in van het recht op gezondheid en welzijn voor elke persoon, als ieder ander, en los van deze verschillen;
b) Eerbied voor de morele waarden van de persoon. De Centeringpractitioner respecteert dus de persoonlijke wil van zijn cliënt om volgens zijn eigen overtuigingen te leven. Het principe van de eerbied voor de menselijke persoon impliceert ook het respect voor de vrijheid (zelfbeschikking) van de cliënt;
c) Het verbod om voornoemde verschillen of waarden aan te wenden om zich op willekeurige wijze te mengen in het privéleven of om de eer en de reputatie van de persoon te schaden, zowel tijdens als na zijn beroepsuitoefening als Centeringpractitioner.
Alles wat eerbied voor de menselijke persoon inhoudt is van toepassing van zodra de professionele relatie een aanvang neemt, tijdens die relatie en na de beëindiging ervan.

§3. De Centeringpractitioner geeft aan de cliënt een begrijpelijke en waarheidsgetrouwe beschrijving van zijn methode. Hij heeft de plicht de cliënt wanneer deze daarom vraagt, op de hoogte stellen van de resultaten van zijn bilan die hem aangaan, en dit op een zodanige wijze dat hij er baat bij heeft. De Centeringpractitioner antwoordt eveneens op de vragen die hem worden gesteld naar wat er met de ingewonnen gegevens zal gebeuren.

Art.21. Evaluaties door een Centeringpractitioner mogen alleen personen of situaties betreffen die hij zelf heeft kunnen onderzoeken. Rekening houdend met het beroepsgeheim mogen zijn adviezen of toelichtingen algemene problematieken of maatschappelijke gebeurtenissen betreffen waarover aan hem verslag is uitgebracht.

Art.22. §1. De Centeringpractitioner neemt niemand tegen zijn wil in begeleiding. Hij erkent het recht van de cliënt om in alle onafhankelijkheid al of niet voor hem te kiezen, en op om het even welk ogenblik zijn deelname te onderbreken.

§2. Er is geen instemming van de persoon nodig wanneer de Centeringpractitioner zijn opdracht heeft gekregen van een overheid die hiervoor wettelijk bevoegd is. In dit geval moet de Centeringpractitioner echter voor de aanvang of bij de verandering van de aard van de professionele relatie nagaan of zowel de derde als de betrokken persoon beschikken over dezelfde informatie inzake het doel, de middelen en de overdracht van de gegevens.

§3. Indien de professionele relatie is opgelegd door een gemachtigde derde moet de cliënt op de hoogte worden gesteld van alle mogelijke gevolgen van deze relatie. De Centeringpractitioner informeert deze derde en de cliënt over de verschillende modaliteiten en plichten waaraan zij zich tegenover elkaar moeten houden. De cliënt heeft het recht, indien hij dit wenst, kennis te nemen van de elementen die in het verslag zijn gebruikt (zoals resultaten van tests of van andere evaluatie-instrumenten), evenals van de conclusies die zijn persoon aangaan. Dit recht betekent niet dat de cliënt het recht heeft de mededeling van het voor de gemachtigde derde bestemde verslag te eisen.

§4. De tussenkomst van de Centeringpractitioner bij een minderjarige gebeurt rekening houdende met zijn onderscheidingsvermogen, zijn capaciteiten, zijn situatie, zijn rechtspositie, zijn behoeften aan begeleiding en de geldende wettelijke bepalingen.

§5. Wanneer een wettelijke vertegenwoordiger verzoekt om een raadpleging voor een minderjarige of voor een wettelijk beschermde meerderjarige die onder zijn gezag staat, probeert de Centeringpractitioner hun instemming te verkrijgen in de mate van hun mogelijkheden en vergewist zich van de inlichting en de toestemming van hun wettelijke vertegenwoordiger(s).

Art.23. De vrije en geïnformeerde toestemming van de cliënt berust op zijn vermogen om vrij te handelen en om verantwoordelijkheid op te nemen voor zijn handelingen. Ingeval de cliënt niet meer als dusdanig kan handelen, hetzij om medische hetzij om psychologische redenen, zal de Centeringpractitioner die een professionele relatie heeft met deze persoon, zich in eerste instantie beroepen op de wensen die deze persoon zelf eventueel heeft geformuleerd voordat hij in zijn huidige toestand is terechtgekomen, en vervolgens, op de wensen van een wettelijk gemachtigde derde.


4.2 Verantwoordelijkheid van de Centeringpractitioner
Art.24. Een Centeringpractitioner neemt in het kader van zijn competenties persoonlijk verantwoordelijkheid op voor de keuze, de toepassing en de gevolgen van de methodes en technieken die hij toepast. Hij neemt tevens persoonlijk de verantwoordelijkheid op voor de professionele adviezen die hij geeft ten aanzien van personen, van groepen en van de maatschappij. Hij neemt een middelenverbintenis op en geen resultaatsverbintenis.

Art.25. De Centeringpractitioner eist van zijn medewerkers (in dienstverband) niet- Centeringpractitioner de naleving van deze deontologische regels in de taken die ze uitvoeren. Hij neemt de verantwoordelijkheid op voor hun eventuele niet naleving.

Art.26. De Centeringpractitioner is gedekt door een verzekering die geschikt is voor de vergoeding van alle schade die hij, rekening houdend met de sector waarin hij actief is, kan veroorzaken.

Art.27. Wanneer een Centeringpractitioner bij de uitoefening van zijn beroep contractueel of statutair verbonden is aan een privé-onderneming of een openbare instelling, houdt dit geen wijziging in van zijn professionele plichten en in het bijzonder van de verplichtingen betreffende het beroepsgeheim en van de onafhankelijkheid in de keuze van methodes en in zijn beslissingen. Bij het opmaken van contracten maakt hij melding van de Deontologische Code en hij verwijst ernaar in zijn professionele verbintenissen.

Art.28. De Centeringpractitioner moet de continuïteit verzekeren van de professionele diensten die hij aan de cliënt verstrekt, met inbegrip van de medewerking met andere beroepen. Hij neemt de nodige maatregelen wanneer hij zijn verbintenis moet opschorten of beëindigen.


4.3 De competentie van de Centeringpractitioner
Art.29. In de uitoefening van zijn beroep moet de Centeringpractitioner zijn professionele competentie en beroepskwalificatie op een hoog niveau houden door deze verder te ontwikkelen door een permanente en weloverwogen interdisciplinaire bijscholing die rekening houdt met de meest recente ontwikkelingen in het vakgebied, alsook door het nadenken over zijn persoonlijke betrokkenheid in het begrijpen van andermans gedrag.

Art.30. De Centeringpractitioner moet zijn activiteiten door middel van geëigende methodes evalueren. Hij zal de nodige maatregelen treffen die hem moeten toelaten tijdig de eventueel nadelige en voorzienbare gevolgen van zijn werk te onderkennen.

Art.31. De Centeringpractitioner beoefent het beroep binnen de grenzen van zijn competenties en doet geen onderzoeken waarvoor hij geen specifieke kwalificatie heeft. Hij doet dit binnen het kader van de theorieën en de methodes die erkend worden door het ACB, en houdt daarbij rekening met de kritieken op en de evolutie van deze theorieën en methodes.

Art.32. De Centeringpractitioner is zich bewust van de beperkingen van de door hem aangewende procedures en methodes. Hij houdt rekening met deze beperkingen en voor hij besluiten trekt, verwijst hij zijn cliënt in voorkomend geval door naar andere beroepsbeoefenaars. Hij legt een maximum aan objectiviteit aan de dag in al zijn activiteiten.

Art.33. In geval van ziekte, belangenconflicten of moreel onvermogen die een gebrek aan objectiviteit of een beperking van zijn beroepscompetenties met zich brengen verzoekt de Centeringpractitioner zijn cliënt zich tot een vakgenoot te wenden.


4.4 Integriteit, eerlijkheid van de Centeringpractitioner
Art.34. De Centeringpractitioner vermijdt het oneigenlijk of winst beogend gebruik maken die de doelstelling van zijn begeleiding voorbij gaat.
Hij zal geen methodes aanwenden die de betrokken personen schade kunnen toebrengen, die hen raken in hun waardigheid of die verder gaan in hun privéleven dan dit voor het nagestreefde doel vereist is.

Art.35. Als er een ethische vraag in het kader van zijn beroepsuitoefening wordt opgeworpen probeert de Centeringpractitioner een geschikte oplossing aan te brengen.
Indien nodig raadpleegt hij zijn vakgenoten die hem, met naleving van het beroepsgeheim, hulp zullen verlenen.

Art.36. De Centeringpractitioner is verplicht eerlijk en correct te zijn wat de financiële gevolgen van zijn beroepsactiviteiten betreft. Die gevolgen maken het voorwerp uit van een overeenkomst die wordt afgesloten voor de aanvang van de tussenkomst.

Art.37. De Centeringpractitioner mag geen ongerechtvaardigde beroepshandelingen stellen die niet in verhouding staan tot de aangepakte problematiek.

Art.38. De Centeringpractitioner mag zijn diensten bekendmaken op voorwaarde dat hij ze objectief en op waardige wijze voorstelt zonder de reputatie van zijn vakgenoten te schenden. Hij onthoudt zich van elke colportage. Hij heeft de plicht, indien hij zijn titels en kwalificaties, zijn opleiding, zijn ervaring, zijn competentie, evenals zijn aansluiting bij een beroepsgroepering vermeldt, dit op een correcte wijze te doen.

Art.39. De Centeringpractitioner mag onder zijn naam alleen studies of onderzoek publiceren dat hij persoonlijk heeft geleid of waartoe hij actief heeft bijgedragen. Hij ziet erop toe dat de mogelijkheden en beperkingen van de toepassing van het vakgebied op correcte en duidelijke wijze worden voorgesteld in zijn publicaties en in zijn verklaringen.

Art.40. De Centeringpractitioner moet alle nodige informatie op een klare en duidelijke wijze voorstellen en is verantwoordelijk voor de mededeling ervan op een begrijpelijke wijze. Hij mag alternatieve hypotheses niet verhullen of negeren.

Art.41. Centeringpractitioners die deelnemen aan het opstellen van adviezen in de media (TV, radio, krant), mogen deze adviezen slechts in algemene termen verwoorden. Dit gebeurt via overleg en goedkeuring van de centrale cirkel van de ACB..

Art.42. De Centeringpractitioner mag met zijn cliënten enkel professionele betrekkingen onderhouden. Hij gebruikt zijn positie niet voor proselitisme of vervreemding van de ander. Hij gaat niet in op een verzoek van een derde die een ongeoorloofd of i-moreel voordeel nastreeft of die zijn gezag misbruikt bij het inschakelen van zijn diensten.

Art.43. Toenaderingen met seksuele connotatie of seksueel karakter en seksuele betrekkingen tussen de Centeringpractitioner en zijn cliënt zijn ten strengste verboden.

Art.44. Wanneer een Centeringpractitioner verschillende activiteiten uitoefent (bijvoorbeeld bijberoep, bilan of begeleiding op verzoek van derden, andere begeleidingsvormen (zoals massage, …)) moet hij erop toezien dat de cliënt op de hoogte is van die verschillende soorten activiteiten. Hij moet zijn cliënt altijd van bij de aanvang duidelijk vermelden in welk kader hij hem ontmoet.

Art.45. De Centeringpractitioner aanvaardt noch biedt enige commissie wanneer hij een cliënt doorverwijst naar of doorverwezen krijgt van een andere beroepsbeoefenaar.

Art.46. De Centeringpractitioner eerbiedigt de opvattingen en de praktijk van zijn vakgenoten in zoverre deze in overeenstemming zijn met deze Code. Dit sluit echter de mogelijkheid van gegronde kritiek niet uit. Hij onthoudt er zich van zijn vakgenoten in het openbaar te denigreren. Bij het uitoefenen van zijn professionele activiteiten neemt de Centeringpractitioner een collegiale houding aan tegenover alle vakgenoten.

Art.47. Wanneer een Centeringpractitioner van oordeel is dat een vakgenoot zich niet gedraagt in overeenstemming met deze Code, zal hij hem erop wijzen.

Art.48. De Centeringpractitioner mag geen enkele druk dulden bij de uitoefening van zijn functies. Bij moeilijkheden brengt hij zijn vakgenoten hiervan op de hoogte.

Art.49. Bij samenwerking met andere beroepen zal de Centeringpractitioner zijn professionele identiteit en onafhankelijkheid doen eerbiedigen en eerbiedigt hij die van de anderen.


 

Hoofdzetel

Overheulestraat 237, 8560 Moorsele - O56/444796 - info @ souldance.be - Souldance
Copyright © Centering® - Webdesign: Levensstroom